Lees artikel

En de winnaar is… getroost

Royal Jongbloed, het Nederlands Dagblad  en Dag6 organiseerden afgelopen voorjaar samen het project ’40 dagen schrijven’. Tijdens de 40-dagentijd schreven de deelnemers een verhaal dat raakte aan het thema ‘onvoorwaardelijke liefde’. Met dat verhaal kon je meedoen aan een schrijfwedstrijd.

Bijna tachtig verhalen in totaal kwamen binnen voor de wedstrijd en de tweede plaats was voor ons eigen redactielid Gerry Buitenwerf!

De jury: “Zij laat de hoofdpersoon van haar verhaal een gedicht schrijven, dat de jury in verwarring bracht. Dat moet van Vasalis zijn of van Ida Gerhardt, dacht men. Maar nee. Het was Gerry Buitenwerf! “

Het verhaal:

Getroost

Nou, alles is netjes. De kinderen slapen, de kamer is netjes, de koffie is klaar. Hij kan komen. Ze is best gespannen, ondanks het feit dat ze hem graag mag. Haar man wil steeds naar de kerk als deze dominee preekt: ”Die man hééft wat”, zegt hij dan. En hij heeft gelijk. Ze snapt er niks van, maar onlangs zei ze tegen haar moeder: ”Mam, er is maar één man die me helpen kan en dat is deze man.” Ze weet niet waarom. Afijn, ze zullen het zien. Hij heeft gebeld met de vraag of hij op bezoek mag komen. Welnu, dat mag. Graag zelfs. Het kan alleen maar meevallen. Erger dan het jaar dat achter hen ligt kan het niet worden. Ze zucht.

Wat is er veel veranderd in dat jaar. Eerst dat rampzalige telefoontje van haar huilende schoonvader dat zijn vrouw in het ziekenhuis was opgenomen met acute leukemie. “Dit is tijd rekken”, zei ma toen ze ’s avonds geschrokken bij haar bed stonden. Ze zei ook dat ze van haar, Lisa, hield. Ze had er nooit iets van gemerkt, al was ze wel altijd aardig. Aan uiterlijke blijken van genegenheid in de vorm van lieve woorden of uitgebreid knuffelen deden ze niet in haar schoonfamilie. Haar man verzekerde haar altijd dat ma wel van haar hield, want ”ze neemt altijd een pak koffie of iets anders voor je mee”. Ondanks het vreselijke van de situatie deed het haar toch goed dat het nu gezegd was tussen hen beiden.

In de negen weken die volgden voor haar dood gingen ze zo vaak mogelijk bij haar op bezoek en was pa vaak te gast. De arme man had het erg zwaar en moest vaak huilen. Zelf hadden ze het er ook moeilijk mee, want wie verwacht nu dat je van een stralende vrouw van 53 afscheid moet nemen en haar verschrikkelijke lijdensweg moet aanzien? Dat verwacht je toch niet?

En wie verwacht nu dat je negen dagen voor de dood van je stervende schoonmoeder bericht krijgt dat je allerliefste vader plotseling aan een hartstilstand is overleden? Dat kon toch niet? Ze was er een paar dagen geleden nog geweest, had nog met hem gesproken, gelachen en uitgebreid geknuffeld. En nu lag ie daar dood op bed. Haar lieve pap. Haar held van wie ze zoveel hield en door wie ze zich altijd zo geliefd voelde. Die zijn gebreken had, maar ook zo’n warmte uitstraalde naar zijn gezin en naar andere mensen. Dood. Koud. Stijf.

Onvoorstelbaar toch? Negen dagen later stonden ze bij haar dode schoonmoeder. Het was net alsof ze meespeelde in een slechte film. Alles gleed aan haar voorbij. Ze was zwanger van haar vierde kind, maar had alleen maar aandacht voor de dood die wreed in haar leven was binnengedrongen. In die vreselijke dagen schreef ze een gedicht, dat als titel ”Te diep” droeg: “Dit is te diep voor tranen/ dit is bodemloos leed. Ik kijk in graf en stervensogen/ en moet mijn hart tot kloppen manen/ omdat ik zelf niet eens meer weet/ of ik beweeg of word bewogen”. Zo voelde dat.

De maanden die volgden beleefde ze als in een roes. Hoe de zwangerschap verliep weet ze niet meer. Van de zomer die volgde op de dood van beide ouders kan ze zich niets meer herinneren. Of die nu koud of warm, nat of droog was weet ze niet meer. Wat ze hebben gedaan weet ze ook niet meer. Ze weet alleen nog, dat ze boos werd als ze een oude man zag voorbij fietsen. Daar had haar lieve pap van 64 moeten fietsen, niet een oude man van minstens tachtig.

Ja, ze werd boos. Op God, Die nota bene twee geliefde mensen zomaar van haar had weggenomen. Hoe kon Hij dat nu doen? Ze had altijd in Hem geloofd, schreef in haar puberteit en daarna al gedichten over Hem. Wat moest ze nu met zo’n God Die haar en haar man, kinderen, moeder, schoonvader en familie zo liet lijden? Waar was Hij nu met Zijn liefde en goedheid? Hij liet hen allen maar mooi in de sores zitten. Ze stikte zowat van verdriet, zag Hij dat dan niet? Hoe moest ze in vredesnaam ooit weer verder met haar leven als ze bij haar moeder kwam en die lege stoel zag en als ze bij haar schoonvader kwam en zelf de koffie moest inschenken en dingen in de keuken moest doen die ma altijd deed? En als ze het verdriet in hun ogen zag?

En ze werd niet alleen boos op God, ze werd ook bang voor Hem. Als Hij zomaar twee ouders wegnam kon Hij ook zomaar een of meer kinderen van haar afpakken. En dus werd ze nog bezorgder voor het welzijn van haar kinderen dan ze al was.

Hun vierde kind werd geboren, een schattig jongetje dat naar beide overleden ouders werd genoemd. Vanaf toen bestonden vreugde en verdriet naast elkaar. De dominee kwam met een ouderling op doopgesprek. Tijdens dat gesprek moest ze ontzettend huilen. Ma en pap zouden er niet bij zijn. De ouderling troostte: “Geloof me, het is nooit zo donker geweest, of het wordt altijd wel weer licht”. De dominee bad. Ook bij de doop vielen tranen.

Ze genoot, samen met haar lief en de andere kinderen, van het nieuwe kindje. Maar altijd weer was daar dat verdriet dat haar soms zomaar overspoelde als ze in huis bezig was. Dan kon ze niet meer verder, dan vloeiden de tranen en riep ze het uit: ”Heer, waarom, waar is dit voor nodig? U ziet ons toch? U ziet hoe pa hier ieder weekend is en weliswaar geniet, maar zondagsmiddags weer alleen wegrijdt en alleen thuiskomt. U ziet hoe wij achter hem aan rijden naar mam en daar geconfronteerd worden met die schrijnend lege plek “.

Gelukkig konden ze er samen goed over praten, haar lieve man en zij, steunden ze elkaar waar ze maar konden en groeiden ze nog dichter naar elkaar toe. Maar het verdriet bleef onder de oppervlakte Die oppervlakte was maar dun en de pijnlijke plek die zich in haar borst had genesteld bleef realiteit. Ze zocht het in woorden. Elk bemoedigend woord of gedicht dat ze kon vinden nam ze gretig tot zich. Maar de zere plek bleef. Niets of niemand kon die pijn wegnemen.

Daar gaat de bel. De dominee komt binnen en als de koffie op tafel staat komt het al snel tot een gesprek. Ze storten hun hart voor hem uit. Hij luistert op zijn bescheiden, liefdevolle manier en begint dan rustig te vertellen van alles wat God in zijn leven heeft gedaan. Dat is nogal wat. Ze luisteren geboeid naar de verhalen van een God die niet een God van veraf is, maar die heel nabij is als je Hem aanroept. Die niets liever wil dan een persoonlijke relatie hebben met Zijn kinderen. Die nog steeds wonderen van heling en genezing doet. Die niet de kwade God van hel en verdoemenis is maar de God die compassie heeft met zijn kinderen. “Jezus heeft ook verdriet omdat jullie verdriet hebben, Hij lijdt met jullie mee en heeft voor jullie verdriet aan het kruis gehangen”, zegt hij. Ze kijken elkaar aan. Dat hebben ze nooit beseft. Hij vertelt van de onvoorwaardelijke liefde die God voor al Zijn kinderen heeft. Wat ze ook gedaan hebben, Hij blijft van ze houden tot in de eeuwigheid.

Vergeeft Hij ook haar boosheid en angst? Ze hangen aan de lippen van de dominee, vragen van alles. Hij vertelt zulke prachtige dingen. Dingen van hoop en leven en van een oneindig grote, eeuwigdurende liefde. En dat is dus ook voor hen? Weer kijken ze elkaar aan. Ze weten het heel zeker: ”Deze God willen wij volgen”, zeggen ze.

Dan gaat de dominee voor in het zondaarsgebed. Hun zonden worden beleden en ze vragen Hem in hun leven. Opeens gebeurt er iets wonderlijks: de kamer wordt gevuld. Het is alsof er een wolk in de kamer is. Ze zitten met gesloten ogen, maar voelen dat de hele kamer vol wordt van een allesomvattende, liefdevolle Aanwezigheid. En zij voelt dat de pijnlijke plek in haar verdwijnt en dat er vrede en rust en een overweldigende vreugde en troost binnenkomt. Weg is het verdriet en de vragen. Wat blijft is troost en rust. Het is goed: ma en papa zijn bij Jezus. Bj Jezus, die zij nu volgen.

Na het gebed zitten ze stil bij elkaar. Stil van vreugde. Als de dominee weg is, blijven ze nog wel een uur zitten, vol van het gebeurde, vol van de heilige Geest, de Trooster die hun leven binnenkwam.

Ruim dertig jaar later kijkt ze vol dankbaarheid terug op de mooiste dag van haar leven: de dag waarop ze het offer van Jezus aan het kruis aannam en opnieuw werd geboren.

Gerry Buitenwerf